Nieuwsbrief Juni 2011

Geachte lezers,

Mei was dit jaar weer een maand met vele activiteiten.
Wij hebben in die periode een groot aantal zaken, waarvan een aantal zeer interessante, afgehandeld en ook nieuwe in behandeling genomen.
Buiten al dat kantoorwerk hebben we van diverse verenigingen een aantal fijne sponsorbijeenkomsten bijgewoond, hebben we sportwedstrijden, theatervoorstellingen en andere evenementen beleefd, hebben we voordrachten, lezingen en cursussen bezocht, een aantal bedrijfsbezoeken gedaan, mee een tunnel in Venlo geopend, hier en daar asperges genoten, een jubileumfeest voorbereid, en toch nog tijd gevonden voor het schrijven van een nieuwsbrief.

Notariskantoor Moonen.


Functie van en toezicht c.q. controle op de notaris blijft veranderen

Op allerlei manieren wijzen wij cliënten erop dat het notariaat in toenemende mate taken krijgt toebedacht om het algemeen maatschappelijk belang te bewaken, soms ook tegen het belang van de individuele cliënt in.
Bij de uitvoering van de betreffende regelgeving spreken cliënten daar wel eens hun verbazing over uit. Vandaar bij deze enige toelichting.

Wet ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering (WWFT)
Sinds enkele jaren is de notaris vanwege zijn dienstverlening betrokken bij de aanpak van witwassen met name door het verrichten van een cliëntenonderzoek. Dit onderzoek op details en indicatoren draagt bij aan het herkennen en beheersen van risico's die bepaalde cliënten of bepaalde soorten dienstverlening met zich meebrengen.
In gevallen waarin een verhoogd risico bestaat (denk aan bepaalde onroerend goed transacties) moet de notaris extra maatregelen nemen, zoals diepgaander onderzoek verrichten en meer vragen stellen (doorvragen).
Voorbeeld: ABC-transacties: 2 leveringen van hetzelfde onroerend goed binnen een korte periode waarbij onderling grote prijsverschillen optreden en/of partijen deelnemen die waarschijnlijk niet voor zichzelf handelen.
Waarom nu de notaris?
Witwassen kan in zijn algemeenheid omschreven worden als het vermengen van illegale geldstromen met legale geldstromen, met als doel dat de illegale geldstromen een ogenschijnlijk legale status verkrijgen. De notaris is het knooppunt die de overdracht van het onroerend goed regelt en bij wie geldstromen via zijn derdengeldrekening plaatsvinden.    
Waarom tegengaan witwassen?
De aanpak van witwassen is van groot belang voor een stabiel en integer financieel stelsel en voor een effectieve bestrijding van allerlei vormen van ernstige criminaliteit. Deze aanpak geschiedt onder andere door het creëren van
transparantie in het financiële stelsel, het verrichten van een gedegen cliëntenonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties.
Meldplicht
Een ander belangrijk onderdeel van de WWFT betreft de verplichting van de notaris om (voorgenomen) ongebruikelijke transacties te melden aan de FIU-Nederland (Financial Intelligence Unit Nederland).
Een ongebruikelijke transactie kan een indicatie zijn voor witwassen of terrorisme financiering betreffen. Een gemelde transactie wordt vervolgens door de FIU onderzocht en kan naar aanleiding van dat onderzoek als verdacht gekwalificeerd worden.
Zo niet dan worden de gegevens in elk geval vijf jaar lang bewaard en vervolgens vernietigd. Indien wel vermoeden van ongebruikelijk naar boven komt zal FIU gaan vragen om nadere gegevens.
Verdere Weetjes

  • De notaris heeft geen meldplicht als er slechts sprake is van een informatief, oriënterend gesprek.
  • De notaris mag partijen niet waarschuwen dat hij gaat melden als ongebruikelijke transactie.
  • De notaris mag naar aanleiding van onderzoek te allen tijde zijn dienst weigeren of staken.
  • De notaris gaat te werk aan de hand van subjectieve én objectieve indicatoren.

In sommige situaties moet hij handelen, in andere mag hij een eigen afweging maken.

In dit kader is een wetswijziging betreffende de Wet op het Notarisambt in voorbereiding.
Toezicht, controle en tuchtrechtspraak op notarissen worden verbeterd.
Zij worden gescheiden. Het toezicht en de controle komen te rusten bij het huidige Bureau Financieel Toezicht (BFT). Daarbij wordt ook geregeld dat deze instantie preventief mag handelen en op eigen initiatief onderzoeken.
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) verzorgt daarnaast nog steeds intercollegiale audits (kwaliteitstoetsing door beroepsgenoten). Dit gaat nu echter wel een wettelijke basis krijgen.
De tuchtrechtspraak gaat in handen komen van 5 Kamers voor het Notariaat (bij de Gerechtshoven) (thans nog 19 tuchtcolleges bij de Rechtbanken).
De notaris kan straks i.g.v. laakbaar gedrag ook een boete of dwangsom worden opgelegd. De gronden voor schorsing en ontslag worden verhoogd.
De geheimhoudingsplicht (en het daaraan verbonden verschoningsrecht) gaan afgezwakt worden. Toezichthouders zoals het BFT en de KNB-auditoren krijgen bijv. recht op inzage in dossiers en bankbescheiden.
Er komt een openbaar register waarin alle belangrijke zaken betreffende notarissen (zoals ook de aan hen opgelegde tuchtmaatregelen) worden vermeld.
De situaties waarin de notaris verplicht is tot dienstweigering worden uitgebreid.
Een kandidaat-notaris met waarnemingsbevoegdheid kan worden gepromoveerd tot toegevoegd notaris, waarbij een persoonlijkheidstoets tot de procedure behoort.
De toegevoegd notaris heeft een van de notaris-ondernemer afgeleide bevoegdheid, maar dan wel permanent. Daardoor is de notaris in staat om meer toezicht te houden in eigen huis.

Erfrecht: hoedanigheid, voorwaarde of omschrijving?

In een testament is vaak de relatie tussen erflater en erfgenaam of legataris omschreven. Soms kan dit tot twijfels leiden. Zeker als die relatie sinds het maken van het testament is gewijzigd.
Een bloedverwantschapsband kan niet gauw wijzigen. Stel u vermeldt in het testament: mijn broer...., of: mijn dochter..... enz. Dan is dit ter omschrijving van de onderlinge relatie.
Dit ligt echter ingewikkelder als het gaat om een echtgenoot of een partner. Vaste jurisprudentie is dat wanneer een huwelijk is geëindigd ook de testamentaire begunstiging vervalt.
Dus als in het testament wordt gezegd: Ik benoem mijn echtgenote...., hierna te noemen: mijn echtgenote, enz. dan wordt dit gezien als een voorwaarde voor verkrijging. Voldoet men niet (meer) aan de voorwaarde dan kan men ook niet verkrijgen.
Reeds jaar en dag wordt trouwens in testamenten de clausule opgenomen dat vanaf de datum van aanvang van de echtscheidingsprocedure de erfrechtelijke benoeming vervalt. Belangrijk is ook dat vastgelegd is dat alle andere benoemingen (executeur, bewindvoerder e.d.), óók van familieleden van de bijna-ex, dan vervallen.
Vooral in oudere testamenten is deze situatie niet geregeld. Men blijft dan formeel elkaars erfgenaam tot het moment dat de echtscheiding is uitgesproken én ingeschreven in de burgerlijke stand. Het is natuurlijk al eens voorgekomen dat iemand tijdens die procedure komt te overlijden en de dan-nog-echtgenoot als de alles verkrijgend erfgenaam achterlaat.
Ook komt nogal eens een onduidelijke formulering voor, zoals: Ik benoem tot enig erfgenaam ......, hierna te noemen: mijn partner.
Wat is de betekenis van partner in deze? En wat als de persoonlijke relatie inmiddels is beëindigd?
Het is in elk geval van belang in het testament duidelijk de benoeming tot erfgenaam e.d. te koppelen aan een hoedanigheid, door dit als een expliciete voorwaarde te formuleren. Bijvoorbeeld door te vermelden dat men ten tijde van het overlijden dan wel nog samen een gemeenschappelijke huishouding op hetzelfde adres voert.

Check uw testament maar eens!
Let op of er niet andere kwalificaties zijn die verwarring kunnen wekken (a) omdat ze als voorwaarde kunnen worden uitgelegd maar niet zo bedoeld zijn (b) omdat ze wel zo bedoeld toch niet als zodanig worden uitgelegd.
Denk maar aan zaken als:
Ik legateer aan mijn beste vriend......, of:
Aan ...., met wie ik samen oldtimers herstel, of:
Ik vermaak aan ....., die mijn trouwe fietsmaatjes zijn, ... of:
Ik laat na aan onze vaste vakantievrienden  .....

Een dergelijk probleem kan zich ook voordoen als u het motief voor een making wilt omschrijven: Voorbeelden:
Omdat ze mij de laatste jaren niet meer heeft bezocht, sluit ik.... uit. of:
Aangezien ze mij altijd zo goed verzorgt, legateer ik aan......, of:
Vanwege de gezamenlijke interesses die we hebben, vermaak ik aan......, of:
Nu ze in een behoeftige situatie is terecht gekomen, benoem ik .....
In de testamentenpraktijk is daarom altijd duidelijkheid en ondubbelzinnigheid geboden. Dus geen voor discussie vatbare omschrijvingen en argumentaties!
Wij krijgen echter toch nogal eens discutabele teksten onder ogen.
Lees zelf eens kritisch en sluit elke twijfel uit.
Daarnaast komt het natuurlijk voor dat bepaalde situaties niet meer van toepassing zijn. Testamenten verliezen daardoor dan grotendeels hun kracht. Maak dan de afweging of het niet verstandig is door een herroeping of een wijziging hieromtrent geen misverstanden te laten bestaan. Soms zijn bepaalde passages toch nog van kracht. Of kan een ex-echtgenoot of -partner toch nog indirect of via gemeenschappelijke kinderen na overlijden inspraak of zelfs aanspraak krijgen.
Laat u hierover adviseren.
Uit regelmatige jurisprudentie blijkt dat dit toch nogal eens aanleiding is tot en onderwerp van juridische procedures. Voorkom ongewenste gelukszoekerij.

Nieuwe fiscale dertig dagen-bepaling leidt tot discussie

Sedert 1 januari 2010 kent de Successiewet een gewijzigd artikel 53 (lid 1 en 4) op grond waarvan op verzoek vermindering wordt verleend voor het bedrag dat verschuldigd is over het overlijden van een erfgenaam binnen 30 dagen na de erflater.
Dit betekent het volgende (voorbeeld):
A heeft als erfgenaam B. B overlijdt binnen 30 dagen na A en laat C als erfgenaam na. Zowel de verkrijging door B (van A) als door C (van B) is belast met erfbelasting (vrijstellingen buiten beschouwing latend).
De wetgever wil niet in een korte periode 2 maal over hetzelfde vermogen heffen dus geeft op verzoek de erfbelasting op de eerste verkrijging (A-B) terug.
Stel nu dat B een vriend is van A en bij testament benoemd tot erfgenaam, terwijl C een zoon van B is.
Op de verkrijging A-B (vrienden) is dan het hoge tarief van toepassing (30 evt. 40%) en op B-C (vader-zoon) het lage tarief (10 evt. 20%). Als B dus vrij kort na A overlijdt gaat vermogen van A naar C tegen laag tarief! Het hoge tarief wordt immers terug betaald.
De geleerden zijn het er echter niet over eens. Er wordt o.a. geoordeeld dat feitelijk alleen de hoogste van beide heffingen moet worden betaald en de laagste heffing moet worden terugbetaald. Anderen vinden dat C belast moet worden alsof hij rechtstreeks van A heeft geërfd.
Een andere groep ziet artikel 53 (lid 4) feitelijk als een vrijstelling.
In testamenten wordt al langere tijd bij gelegenheid een zogenaamde dertig dagen-clausule opgenomen. De testateur (A) bepaalt dan dat voor het geval zijn erfgenaam (B) binnen 30 dagen na hem mocht overlijden, hij (A) bijv. C tot erfgenaam aanwijst.
A bepaalt dan dus zelf de opvolgend erfgenaam. Dit is dan niet meer van het wettelijk erfrecht of het testament van B afhankelijk.
C erft dan ook rechtstreeks van A met voormeld hoge tarief tot gevolg.
De formulering van deze clausule is nogal van belang.
Er kan sprake zijn van een opschortende voorwaarde. B wordt dan pas erfgenaam van A als hij 30 dagen langer leeft als A. In eerste instantie zijn dan de wettelijke erfgenamen van A (naaste familie) zijn erfgenamen.
Er kan ook sprake zijn van een ontbindende voorwaarde. B is erfgenaam doch bij zijn overlijden volgt C hem op als erfgenaam van A.
Hier speelt ook de bevoegdheid in die periode. Stel dat de tijdelijk bevoegde in die korte periode allerlei handelingen verricht. Zijn deze dan geldig verricht? Er is dan sprake van een gewisse rechtsonzekerheid zolang de periode voortduurt. De periode kan ook langer dan 30 dagen zijn.
De zogenaamde tweetrapsmaking is eigenlijk een variant van een dergelijke voorwaardelijke clausule maar dan voor de duur van het leven van B. Zodra B overlijdt wordt C alsnog de rechtstreekse erfgenaam van A.
Dit is altijd voordeliger qua erfbelasting dan een dubbele verkrijging met dito heffing.
Het is van belang de 30 dagen-clausule te toetsen aan de juridische hoedanigheid (ontbindend of opschortend) met verschil in tijdelijke bevoegdheid, en qua fiscale gevolgen.

Over onderhandse schenkingen en betaling van rente

Er zijn nog altijd mensen, die bij zelf opgestelde (onderhandse) verklaring bedragen aan hun kinderen schenken door deze schuldig te erkennen. Zij betalen wel jaarlijks de juiste rente (thans 6%) over de schuldig gebleven bedragen doch vermijden zo de notariële tussenkomst en de daarmee gepaard gaande kosten.
Uitbetaling van de schuldig gebleven bedragen vindt meestal eerst plaats bij overlijden van de schenker en zo denkt men een deel van diens vermogen buiten de heffing van erfbelasting te houden.
Het Gerechtshof Arnhem heeft op 15 februari 2011 hierover nogmaals duidelijkheid geschapen: De aldus geschonken bedragen mogen niet in mindering worden gebracht op de erfenis voor de heffing van erfbelasting. Zij zijn vervallen op grond van artikel 7:177 van het Burgerlijk Wetboek.
Er is overigens van de zijde van de Belastingdienst een jaar lang een generaal pardon geweest indien men de onderhandse schenkingen alsnog notarieel liet bekrachtigen. Dit is inmiddels voorbij.
Verder besloot het Hof ook in dezelfde uitspraak dat wanneer er wel een notariële akte is doch niet alle, maar wel de meeste jaren rente is betaald, de desbetreffende schenking toch in mindering op de erfenis mag worden gebracht en zelfs de nog niet betaalde (achterstallige) rente ook nog in mindering mag worden gebracht.
Er is in zo'n situatie een duidelijk vermoeden van de intentie om rente te betalen hetgeen in sommige jaren vergeten kan zijn zonder dat dit consequenties heeft.

Doorschuifregeling beperkt

Sinds 1 januari 2010 moet met betrekking tot een aanmerkelijk belang (aandelen) in geval van overlijden een fiscale AB-claim over beleggingsvermogen worden afgerekend (inkomstenbelasting).
Artikel 4: 17a wet IB 2001 beperkt de doorschuifmogelijkheid van de claim naar de erfgenamen tot materieel ondernemingsvermogen.
Dit kan men niet verhelpen door toedeling van het AB-pakket aan de langstlevende aangezien de wet (artikel  4: 17) per 1 januari 2011 opnieuw is gewijzigd. De doorschuifregeling geldt sindsdien alleen nog maar voor een huwelijksgoederengemeenschap anders dan door overlijden.
In geval van wettelijke algehele gemeenschap van goederen geldt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de economische benadering zodat ongeacht wie het pakket op naam heeft bij het eerste overlijden de helft van de claim dient te worden afgerekend.
Men zij (voortaan) gewaarschuwd voor een zware claim bij overlijden terzake een AB-pakket met beleggingsvermogen.

Toch premieaftrek voor lijfrente bij uitzakken tegen creditering

Het bedingen van een lijfrente bij de eigen BV is alleen dan fiscaal vrijgesteld aan de orde als deze is bedongen als tegenprestatie voor een (gedeelte van) de onderneming. Bij vervreemding of staking van de onderneming kan van de desbetreffende faciliteit geen gebruik (meer) worden gemaakt, aldus de Staatssecretaris van de Financiën. Later te bedingen / te betalen premies zijn niet aftrekbaar.
Anders de Hoge Raad in een uitspraak van 7 mei 2010. Daarin wordt de economische werkelijkheid verheven boven de juridische omstandigheden.
Gemelde lijfrentepremies zijn sedertdien toch aftrekbaar.

Op naar Europese vennootschapsbelasting

De Europese Commissie heeft een voorstel gelanceerd voor een Europese vennootschapsbelasting. Daarin wordt de winst van een groep van Europese vennootschappen geconsolideerd (bij elkaar opgeteld) vastgesteld.
Thans is de heffing van vennootschapsbelasting in alle betrokken landen toegestaan.
In het voorstel wordt die heffing overgelaten aan één land, namelijk het land waar het hoofdkantoor van de groep zich bevindt. Er vindt vervolgens na de heffing verdeling van de geheven belasting plaats over de betrokken landen conform een verdeelsleutel op basis van omzet, arbeid en activa.
Het nieuwe stelsel is optioneel. Men kan er als belastingplichtige voor kiezen, maar het is niet verplicht.
Er is een toets op de groepsrelatie en er is sprake van het all in / all out -principe.
Alle vennootschappen in de groep moeten meedoen.
Een gemaakte keuze geldt voor 5 jaar en wordt voor termijnen van 3 jaar verlengd.
Een vennootschap die niet van een groep deel uitmaakt, kan ook kiezen voor de nieuwe regeling. Men hoeft ook niet in meerdere landen actief te zijn.
De nieuwe regeling kent een eigen Belastingdienst.

Enkele van de voordelen van het nieuwe stelsel:

  • Onbeperkte carry forward van verliezen;
  • Geen afschrijvingsbeperking op vastgoed;
  • Dubbelboekhouden niet meer nodig;
  • Soepele reserverings- en aftrekmogelijkheden;
  • Ruime deelnemingsvrijstelling.

Enkele nadelen:

  • Mindere herinvesteringsreserve-regeling dan in NL;
  • Geen innovatieboxregime.

Het zal nog wel even duren voor dit voorstel in de lidstaten is behandeld en van kracht wordt, maar er is een belangrijke eerste stap gezet naar een (begin van een) gezamenlijke fiscaliteit.

Onroerend of niet, dat is de vraag

Hof Den Bosch, 4 maart 2011: Een Marina (drijvende paalwoning) is niet onroerend, Hof Arnhem 1 maart 2011: een stacaravanchalet wel.

Dit is van belang niet alleen voor de overdrachtsbelasting, maar ook voor de onroerende zaak-belasting, erfbelasting, inkomstenbelasting, en andere zaken zoals: verplichte notariële tussenkomst, waterschapsheffing, verzekering enz., enz. 

Verkoop met uitgestelde levering

In de praktijk komen we zo af en toe een koopovereenkomst met uitgestelde levering tegen. Ouders hebben in de 80-er of 90-er jaren tegen een toen geldende maar zeker nu niet meer actuele prijs hun huis verkocht aan hun kinderen, te leveren uiterlijk bij overlijden van de langstlevende der ouders. De koopprijs is in de daaropvolgende jaren volledig kwijtgescholden aan de kinderen. De overeenkomst en de schenkingen zijn vaak bij de Belastingdienst bekend door registratie.
Toentertijd heeft deze praktijk reeds geleid tot discussie binnen het notariaat.

Sinds 1 januari 2010 is in artikel 11 lid 2 van de Successiewet een fictiebepaling opgenomen waardoor de waarde van het object ten tijde van het overlijden volledig met erfbelasting wordt belast.
Ook de schenkingen zijn dan niet meer effectief.
Aanbevolen wordt deze situatie in familiekring te bespreken en anders te regelen.
Maak eventueel een nieuwe overeenkomst. De Belastingdienst is verplicht de civielrechtelijke afspraken zoals vastgelegd in een onderling contract te volgen.
De ouders kunnen immers de woning feitelijk niet meer verkopen. Toch willen ze misschien naar een andere woonsituatie overgaan.
Stel kinderen en ouders besluiten samen toch de woning te verkopen aan derden dan hebben de ouders eigenlijk geen recht op de opbrengst. Moeten ze dan op papier lenen van de kinderen? Wordt het geleende bedrag dan toch nog belast met erfbelasting? En wat als de ouders geen rente (kunnen) betalen?
En erger nog: als bepaalde kinderen niet willen meewerken, en zeggen: blijf maar lekker zitten, pap en mam?
Denk ook maar eens aan een echtscheiding bij één van de kinderen. Heeft de ex-aangetrouwde niet recht op de waarde van helft van het aandeel in de ouderlijke woning? Zijn de schenkingen wel privé gedaan en is dan wel het aandeel in het huis privé als eigenlijk alleen de toenmalige koopprijs is geschonken?
En wat als één van de kinderen schulden heeft? Kunnen de schuldeisers zich dan niet verhalen op het recht op levering dat toch een bepaalde waarde vertegenwoordigt?
Is het niet zo dat de kinderen eigenlijk al eigenaar in economische zin zijn?

Er zijn een aantal mogelijkheden om dit op te lossen. Dit is echter maatwerk dat sterk dient te worden afgestemd op de situatie en behoeften van partijen.
Laatst hebben wij een familie begeleid waarbij de ouders na ongedaanmaking van de koopovereenkomst hun woning aan derden verkochten en overdroegen en de eerder aan de kinderen geschonken koopprijs (een deel van de huidige opbrengst) aan hen uitbetaalden.
De ouders kunnen ook leveren aan de kinderen, die dan meteen doorleveren aan de kopers.

Ben in ieder geval bedacht op de per 1 januari 2010 grotendeels gewijzigde fictiebepalingen in de Successiewet (artikel 10 tot en met 13).

Reprise over registers, BAG

Eén van de nieuw in aantocht zijnde registers is het BAG, het landelijk basisregister van alle adressen en gebouwen in Nederland. Dit dient vanaf 1 juli 2011 door overheden te worden geraadpleegd, ook door notarissen bij de behandeling van opdrachten.
In gemeld register wordt van alle gebouwen in Nederland geregistreerd waar ze precies staan (coördinaten) en welk adres / locatie ze hebben.
Tevens worden enkele nadere gegevens vermeld omtrent gebruik, oppervlakte, bouwjaar enz. Ieder gebouw krijgt een eigen uniek identificatienummer.
Het register is openbaar.
In de desbetreffende Wet BAG is ook geregeld hoe en wanneer gemeenten adressen uitgeven, bijvoorbeeld bij afgifte van een bouwvergunning.
Naast de onderzoeksplicht (recherche en controle van gegevens uit het register) is er een terugmeldplicht. Indien een gebouw niet in het register voorkomt of gegevens niet kloppen dient dat door de betreffende overheid te worden (terug)gemeld.

Interessante informatiebronnen in deze:
www.kadaster.nl/bag
www.bag.vrom.nl
www.edugis.nl/nederland 

Verjaring

Verjaring is een rechtsbegrip dat nogal eens te pas en te onpas wordt gebruikt.
Men claimt bepaalde rechten vanwege tijdsverloop van een bepaalde situatie.
Er zijn 2 soorten verjaring.
Ten eerste acquisitieve of verkrijgende: Bepaalde rechten zijn ontstaan door verjaring.
Ten tweede extinctieve of vernietigende verjaring: Bepaalde rechten zijn teniet gegaan door verjaring.
Beide kunnen met elkaar te maken hebben doordat weliswaar geen verkrijgende verjaring is ontstaan maar dat wel vernietigende verjaring is ingetreden zodat de ontstane situatie toch is gelegaliseerd.
Het beroepen op verjaring is het beginpunt van een juridisch traject.
Verjaring dient te worden geconstateerd bij notariële akte indien alle partijen het eens zijn over de feiten. Bij discussie is er alleen de weg naar de rechter. De notaris zal niet gauw eenzijdig aan de hand van bescheiden en verklaringen verjaring constateren.

Er zijn verschillende situaties waar verschillende voorwaarden en termijnen gelden.
Bovendien golden vóór 1992 (wijziging Burgerlijk Wetboek) andere regels voor verjaring als nu.
Een belangrijk aspect van verkrijgende verjaring is dat deze terugwerkende kracht heeft. Men wordt geacht vanaf het begin van de verjaring rechthebbende te zijn geweest.

Termijnen van naheffing en navordering van belasting

De desbetreffende regeling staat in de Algemene Wet op de Rijksbelastingen.
Een paar regels omtrent de "notariële" belastingen.

Met betrekking tot naheffing van overdrachtsbelasting geldt een vervaltermijn van 5 jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.
Indien een vrijstelling van overdrachtsbelasting door een bepaald feit komt te vervallen dan gaat de naheffingtermijn pas in aan het eind van het jaar waarin zich dat feit voordeed.
Navordering van schenk- en erfbelasting kan alleen als er sprake is van een nieuw feit. De termijn is dan 5 jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
Wat betreft vermogensbestanddelen in het buitenland bedraagt die termijn 12 jaar.
De termijn inzake erfbelasting begint te lopen na de dag van inschrijving van de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand.
Bij een voorwaardelijke erfrechtelijke verkrijging gaat de termijn lopen vanaf het in vervulling gaan van de voorwaarde.
Bij verzuimde aangifte van schenkbelasting gaat de termijn pas lopen bij gemelde inschrijving van overlijden van de schenker of de begiftigde.

Bedankt voor uw aandacht.

Notariskantoor Moonen.